Bijbellezen: Genesis 41: De farao droomt

Bijbellezen: Genesis 41: De farao droomt
Jozef is begonnen met dromen; ‘Ik ben de grootste’. Daarna de schenker en de bakker en nu heeft ook de Farao gedroomd. Ten derden jare. Weer de symboliek van de getallen. God is bezig! Het laat de hemel niet onberoerd wat er op aarde gebeurt. God is er nog, zij het in het verborgene. De farao tast nog in het duister. Nog even en dan zal Jozefs ster weer rijzen en lichten. De koning vertelt zijn eerste droom: 7 mooie vette koeien worden opgegeten door 7 lelijke magere koeien. Nadat hij even wakker is geweest val hij opnieuw in slaap en krijgt hij een tweede droom: 7 mooie rijpe korenaren schoten op uit één halm. 7 dunne aren slokken de zeven rijpe volle aren op.
Helaas is er niemand die de dromen kan, of durft, uit te leggen. Is er dan niemand die…… ? En dan denkt de schenker weer aan Jozef. Meer dan 2 jaar heeft hij niet aan Jozef gedacht, maar dan… Dus wordt Jozef uit de cel gehaald. Opnieuw worden de kleren van zijn lijf gerukt. Destijds door zijn broers en later door de vrouw van Potifar en nu door de slaven van de farao. Opgefrist en netjes gekleed verschijnt hij voor de farao. En de farao vraagt hem of hij de droom kan verklaren. Maar Jozef is inmiddels een snaar op Gods’ harp en antwoord: ‘Dat is niet aan mij, maar God kan een uitspraak doen die gunstig is voor de farao’. Nadat de farao zijn droom heeft verteld, legt Jozef uit dat er 7 jaren van overvloed zullen komen en 7 jaren van hongersnood. Hij vertelt ook dat het besluit van God vaststaat. De droom is immers twee keer gedroomd. Jozef adviseert de koning een wijs man aan te stellen om schuren te bouwen. De machtigste man ter wereld, de farao, ontmoet de minste der mensen de Hebreeuwse gevangen slaaf. De farao luistert en leeft op. Deze slaaf maakt hem niet alleen van zijn angst bewust, hij maakt die ook hanteerbaar: ‘Schuren bouwen’. De farao legt het lot van zijn volk in de handen van Jozef. ‘Maar’ zegt hij: ‘alleen door de troon zal ik boven u staan’. Met andere woorden; er staat altijd iemand boven je. Je mag nooit te groot van jezelf denken.
Jozef gaat aan het werk. Hij reist met de één na mooiste wagen, hij krijgt een vrouw die hem 2 zonen schenkt; Manasse en Efraïm. Ja, zo vruchtbaar is Jozef geworden in het land van zijn ellende, zo groot, groter, grootst, dat zijn roem zich tot ver over ’s lands grenzen uitstrekt. Toen de magere jaren aanbraken verwees de farao iedereen naar de Hebreeuwse man; ‘Hij heeft brood’. Dit kwam ook de oude vader Jakob ter ore in hongerend Kanaän. Toen zijn de zonen van Jakob op weg gegaan.
Janetta Wanders: mw.wanders@gmail.com
Reageren? Ja graag
Zolang we vacant zijn bestaat de overdenking om de week uit een bijbel lezing met een uitleg op basis van ‘Het verhaal gaat’ van Nico ter Linde

 
terug